Verjaring van seksueel misbruik en de lacune in de wet

Op donderdag 7 november 2019 werd het wetsvoorstel betreffende de afschaffing van de verjaring van ernstige seksuele misdrijven op minderjarigen in de plenaire vergadering met grote meerderheid aangenomen.

Tijdens deze bespreking werden reeds twee fouten uit de tekst gehaald. Zo werden in het originele wetsvoorstellen recente seksuele misdrijven zoals kinderpornografie en voyeurisme in eerste instantie over het hoofd gezien.
Na de officiële stemming van de wet werd echter nog een fout ontdekt, m.n. het ontbreken van een koppeling tussen de verjaringstermijnen van seksuele misdrijven op minderjarigen (18-) en die op volwassenen (18+).

Deze vergetelheid zorgt ervoor dat de meest zware seksuele delicten, zoals bv. verkrachting met de dood tot gevolg, niet meer na 15 jaar maar al na 10 jaar zullen verjaren.

Gelet op het feit dat de wet reeds zijn definitieve fiat kreeg van de Kamer, kan deze niet zomaar worden ingetrokken.

De vraag stelt zich : welke gevolgen heeft dit in de tussentijd?
Teneinde in een correcte koppeling tussen de verjaringstermijn van minder- en meerderjarigen te voorzien, zal een reparatiewet dienen te worden aangenomen. Het zal echter enkele weken duren vooraleer deze reparatiewet de fout effectief zal rechtgezet hebben.

Hierdoor dient zich de vraag gesteld te worden wat er zal gebeuren met de zaken die na aanname van de wet worden gepleit én die zich afspeelden in een tijdspanne van circa 10 jaar geleden.

Zal hiervoor een kortere verjaringstermijn van 10 jaar aangenomen worden?
Om de kortere verjaringstermijn uit te kunnen sluiten, zou de reparatiewet met terugwerkende kracht dienen te worden aangenomen.

De verjaringstermijn maakt een procedurewet uit. Dit wil zeggen dat de wet toepasselijk is vanaf de inwerkingtreding ervan. Dit werd bevestigd door het Hof van Cassatie in haar Arrest van 12 november 1996 overeenkomstig artikel 2 en 3 van het Gerechtelijk Wetboek.

Echter, dit moet onderscheiden worden van de retroactieve toepassing ervan.
Het Grondwettelijk Hof bevestigde hieromtrent recentelijk in haar Arresten van 4 april 2019 (nr. 54/2019) en 3 september 2019 (P.19.0142.N) een erg evident principe, m.n. dat de verlenging van de verjaring van de strafvordering niet van toepassing kan verklaard worden op een datum die aan de publicatie van de wet in het Staatsblad voorafgaat.

Deze overweging is geheel correct gelet op het legaliteitsbeginsel. Anders oordelen en tot retroactieve toepassing overgaan zou immers leiden tot een miskenning van de waarborg van rechtszekerheid, wat net de ratio legis vormt van de verjaring. Er zou sprake zijn van een grote rechtsonzekerheid voor verdachten van zware zedenmisdrijven.

Als specialisten in het Strafrecht zullen wij desgevallend de verjaringstermijn met de nodige precisie bekijken. Het spreekt voor zich dat de rechtszekerheid ten allen tijde dient gewaarborgd te blijven.