Verjaring in zedenzaken, begrijpe wie begrijpen kan

In een recent vonnis stelde de correctionele rechtbank van Antwerpen vast dat de verjaring van een aantal zedenfeiten waarvan beklaagde verdacht werd, reeds ingetreden was. Beklaagde werd ervan verdacht deze zedenfeiten gepleegd te hebben op zijn  (toenmalig) minderjarige kinderen.

Hoe kan de verjaring zijn ingetreden? Zedenfeiten ten aanzien van minderjarigen zijn toch “onverjaarbaar”?

Het klopt dat de wetgever op donderdag 7 november 2019 het wetsvoorstel over de afschaffing van de verjaring van ernstige seksuele misdrijven op minderjarigen in de plenaire vergadering met grote meerderheid heeft aangenomen. Op die manier werden deze misdrijven inderdaad “onverjaarbaar”. Daarmee sluiten zij aan in het rijtje van misdaden zoals foltering, genocide en slavernij.

Op deze wetgeving kwam heel wat kritiek. De verjaring strekt er immers toe rechtszekerheid te garanderen. Rechtspractici stelden zich de terechte vraag “hoe bewijs je dat bepaalde feiten gebeurd zijn, bijvoorbeeld 30 jaar na de feiten?”. Daar zedenzaken vaak een woord-tegen-woord discussie zijn, is de nood aan bewijs enorm. Eens te meer omdat het vermoeden van onschuld geldt in hoofde van de verdachte. Hoe meer tijd er verloopt tussen de feiten en het eigenlijke proces, hoe minder bewijzen er overblijven. Een proces op het moment dat de bewijzen reeds verdwenen zijn, leidt in principe tot de vrijspraak van de vermeende dader. Men kan zich terecht de vraag stellen of het voor een slachtoffer niet erger is te moeten horen dat iemand vrijgesproken wordt dan dat de feiten reeds verjaard zijn.

Afgezien van de vraag of de “onverjaarbaarheid” zelf een goed idee is of niet, blijkt ook de toepassing ervan problemen met zich mee te brengen. Dat bleek nog eens in het hierboven vermelde vonnis van de correctionele rechtbank van Antwerpen. Ondanks dat de feiten in principe “onverjaarbaar” waren, stelde de rechtbank toch vast dat bepaalde zedenfeiten gepleegd ten aanzien van de toenmalig minderjarige kinderen reeds verjaard waren.

Hoe kan dat? Bij de verjaring spelen heel wat juridisch-technische kwesties omtrent de vraag welke wet op welk moment van toepassing is. De regels omtrent de verjaring zijn regels van procedurele aard. Regels van procedurele aard zijn in principe onmiddellijk van toepassing, ook op reeds lopende procedures en vervolgingen. Echter geldt de nieuwe wet die de “onverjaarbaarheid” invoert alleen voor die feiten die op het moment dat de nieuwe wetgeving in werking trad, nog niet verjaard waren. Voor de verjaring geldt immers “eens verjaard, altijd verjaard”.

Om te weten of een feit al dan niet verjaard is, moet men voor een specifiek feit nagaan of de verjaring conform alle voormalige verjaringswetten ooit was ingetreden. Daar de wetgever de verjaringstermijn rond seksuele misdrijven meerdere malen wijzigde in 1995, 2011, 2016 en voor het laatst in 2019 is dit geen evidente oefening. Toch slaagt Bannister advocaten hier steeds in.

In de zaak die leidde tot het vonnis van de correctionele rechtbank van Antwerpen, merkte een advocate van Bannister advocaten op dat het ging om twee verschillende clusters van zedenfeiten die vanuit eenzelfde misdadig opzet hadden plaatgevonden.

Conform de toenmalig geldende wetgeving begon de verjaringstermijn van misdrijven die opeenvolgende en voortgezette uitvoering van eenzelfde misdadig opzet uitmaken, pas te lopen vanaf de dag dat het jongste slachtoffer de leeftijd van achttien jaar bereikt had.

 

Echter stelt dat artikel een uitzondering wanneer de termijn tussen twee van die opeenvolgende misdrijven de verjaringstermijn overschrijdt. In dat geval begint de verjaringstermijn voor die feiten reeds te lopen vanaf het moment dat de feiten gepleegd werden.

Daar de verjaringstermijn voor seksuele misdrijven volgens de toenmalige regelgeving 15 jaar bedroeg, en er meer dan vijftien jaar zat tussen deze twee clusters van zedenfeiten, waren de feiten reeds verjaard op het moment dat de “onverjaarbaarheid” in werking trad.

Eens verjaard, altijd verjaard. De correctionele rechtbank te Antwerpen diende de verjaring van de zedenfeiten uit de eerste cluster vast te stellen.

De regelgeving rond de verjaring in zedenzaken is een ingewikkeld kluwen waardoor er weinigen zijn die hun weg er nog in terugvinden. Het is daarom steeds belangrijk dat je je in een zedenzaak laat bijstaan door een advocaat die haar weg in een dergelijk kluwen kan terugvinden.

Als specialisten in het Strafrecht zullen wij desgevallend de verjaringstermijn met de nodige precisie bekijken. Het spreekt voor zich dat de rechtszekerheid ten allen tijde gewaarborgd dient te blijven.

22 oktober 2020